Gilde Sint Agatha Boekel

Brabantse Gilden Historie

[Samenvatting]
Alhoewel de gilden zich tegenwoordig op een vrij uniforme manier presenteren, is hun geschiedenis er dus vooral één van grote diversiteit . Het ontstaan van de schuttersgilden in Brabant is geen rechtlijnig resultaat van middeleeuwse ontwikkelingen in de steden en de imitatie daarvan in de dorpen. Het ontstaan van de schuttersgilden in stad en dorp is het resultaat van complexe ontwikkelingen op religieus, defensief en sociaal gebied. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de gilden in de stad ontstonden en vervolgens geïmiteerd werden in de dorpen. Elke gemeenschap had behoefte aan het sociale netwerk, het sportieve tijdverdrijf, en in bepaalde tijden de bescherming van de bevolking tegen vreemde legers, nachtelijke onruststokers, brand of ontij. Ieder schuttersgilde heeft een andere unieke ontstaansgeschiedenis. Uitwisseling van geld, goederen, werk, huwelijkspartners, status, vrienden, prestige, waardering, gaan samen met het brengen van eer en dank in een religieuze samenleving, en leveren de gildebroeders identiteit en sociaal kapitaal. Sommige Brabantse schuttersgilden begonnen als religieuze broederschap of als ambachtsgilde van schoenmakers of imkers, om pas later, soms heel recent, te gaan schieten. Er zijn gilden die zich van bewapende dorpsmilitie via brandwacht naar schuttersgilde hebben ontwikkeld, of van laatmiddeleeuwse broederschap naar begrafenisfonds, om pas in de 20ste eeuw schuttersgilde te worden. Jette Janssen-Beij vat het samen in een heel algemene definitie:een schuttersgilde is een vereniging op vrijwillige basis, met christelijke idealen, een sociale houding en schietactiviteiten in de vorm van vogelschieten en/of koningschieten .

 

 

 

 [Eenheid in diversiteit]

Het beschrijven van de geschiedenis van de Brabantse schuttersgilden is een gecompliceerde zaak. In de Brabantse gemeenschap hebben schutters zich in ieder geval vanaf de late middeleeuwen verzameld in gilden. Er werden gildecarten opgesteld als statuten waaraan alle gildebroeders zich te houden hadden, en die moesten worden voorgelegd aan de overheid die haar goedkeuring moest verlenen. Door de veranderende maatschappelijke en politieke omstandigheden in al die jaren zijn er enorme verschillen tussen de gilden, en binnen een individueel gilde in de verschillende tijden. De taken en activiteiten waren vanaf het begin verschillend, en veranderden door de tijd met het veranderen van de maatschappelijke omstandigheden. De positie binnen de gemeenschap en de positie ten opzichte van de overheid veranderde. Het is dus niet zo dat er in de late middeleeuwen een regel opgesteld werd die stelde: vanaf nú zijn er schuttersgilden, die gilden functioneren allemaal als volgt, en vanaf nu zal dat zo zijn. In veel verschillende gemeenschappen ontstonden allerlei organisaties van schutters die we nu, achteraf, samenvatten met de term schuttersgilde. En als er in de middeleeuwse maatschappij een gilde ontstond, dan werd daarvoor ook een kerkelijke grondslag gegeven in de vorm van een patroonheilige, waardoor het gilde verbonden was aan de kerk, zoals elke organisatie in die tijd. Wat die schuttersgilden van alle tijden met elkaar gemeen hebben omschrijft Melssen[1] als volgt: Een gilde is een vereniging op vrijwillige basis die zich ten doel stelt gezamenlijk ter ere van God en in het bijzonder de patroonheilige(n) godsdienstige plichten te vervullen, elkaar hulp en bijstand te verlenen, de maaltijd te vieren, en de wapens te hanteren ter verdediging van de eigen woonplaats. Over de allereerste gilden is zo weinig bekend dat ook deze omschrijving nog wat angels in zich heeft.De oudste Brabantse schuttersgilden ontstonden in het jonge Hertogdom Brabant, in de elfde tot de veertiende eeuw. In het Brabant van toen waren vier centrale steden: Leuven, Brussel, Antwerpen en ’s Hertogenbosch. Er waren nauwelijks georganiseerde legers. Voor de verdediging van stad en land werden de inwoners van de steden en dorpen te wapen geroepen, en daarbij gebruikten ze alles wat ze als wapen konden gebruiken. Vaak had de strijder een handboog, en als hij meer gefortuneerd was had hij een voetboog, het technologisch meest geavanceerde wapen uit die tijd. Met een goede voetboog werd een pijl met zo’n kracht afgeschoten dat hij door het harnas van een ridder heen kon gaan. Aan het eind van de vijftiende eeuw kwamen daar nog vuurwapens bij, deze zogehete kolven werden bediend door de colveniers. Zo werd de bevolking van stad en platteland in tijden van nood opgeroepen als onderdeel van de krijgsmacht. Een gevolg hiervan was dat er onder de bevolking wapens waren, en ook in minder hectische tijden leverden deze wapens een risico op voor de machtsverhoudingen binnen de gemeenschap zelf. Het was dus van het grootste belang voor de overheid om deze bewapende burgers onder controle te houden. Dit was een aanleiding voor de oprichting van organisaties waarin het wapenbezit gereglementeerd werd. In de carte werd vastgesteld hoe de bewapende burgers zich dienden te gedragen binnen de gemeenschap en hoe ze zich verhielden tot de overheid. Hun rechten en plichten werden vastgesteld, en dit moest goedgekeurd worden door de vorst die op die manier zijn invloed en controle kon uitoefenen. Aan de ene kant was er dus de behoefte aan bewapende strijders die konden vechten voor de overheid. Anderzijds kwamen er zo burgers met wapens binnen de samenleving die een machtsfactor konden vormen, misschien zelfs tégen de samenleving. Dit werd in evenwicht gebracht op de manier waarop de maatschappij in die tijd ingericht was: de schutters werden georganiseerd in gilden die zich te houden hadden aan de regels die door het stadsbestuur opgesteld waren en die door de vorst geaccrediteerd werden.Het stadsbestuur stelde beperkingen in om de bewapende schuttersgilden als macht in de stad te controleren. Als ze een bepaald schuttersgilde nog meer als risicofactor gingen zien werden er extra regels opgesteld. Dan werd bijvoorbeeld het recht op samenkomst beperkt, de vergaderingen van de schutters werden verboden, of de wapens mochten niet langer thuis bewaard worden maar werden opgeborgen in het stadhuis. Wapens onder de burgers vormden een potentiële bedreiging, die gecontroleerd moest worden door de overheid. Gildebroeders moesten daarom getrouwheid zweren aan het wettelijke gezag en goedkeuring vragen aan de plaatselijke heer. Het gezag en de heer konden uiteindelijk niet veel meer doen dan hopen dat ze op deze manier deze machtsfactor in de samenleving onder controle konden houden.Ook in de Bourgondische tijd, die voor Brabant duurde van 1401 tot 1477, werden de schutters in gilden verenigd. De bevolking van stad en platteland kon worden opgeroepen voor de legers van de hertog. Als de klokken geluid werden, en de tamboer de burgers opriep door het slaan op de trommel, dan moest het volk bijeenkomen om te strijden voor de hertog. Daarmee is meteen één van de functies van de traditionele gildetamboers geduid. Als herkenningsteken kregen de strijders een kaproen, een bepaald soort hoed of muts, in de kleuren van de hertog, en zo trokken ze ten strijde. In deze tijd hadden de gilden een duidelijke militaire functie, ze werden opgeroepen voor de legers van de heer.De schuttersgilden manifesteerden zich in vredestijd ook op andere manieren in de stad. Ze gingen in optocht door de stad om hun kracht te laten zien, zoals ook in latere eeuwen militaire parades de macht van de overheid moesten demonstreren. In een beschrijving van een optocht in Leuven in 1594[2], zien we voorop de zes minst aanzienlijke gilden. Daarna volgden de vier stadsmuzikanten van Leuven, zij waren niet aan de schuttersgilden verbonden. In Leuven liepen er vervolgens de vier hoofdgilden, ieder met tamboers en pijpers, in volgorde van belangrijkheid. Als laatste van de vier liep het gilde van de grote voetboog, het meest belangrijke. Daarachter liepen de hoogwaardigheidsbekleders van de stad en vertegenwoordigers van de ambachtsgilden. In Eindhoven, in die tijd een veel kleinere stad, zal zo’n groots vertoon niet mogelijk geweest zijn, maar ook daar zullen de gilden zich zichtbaar gemanifesteerd hebben in de stad. Of daarbij ook stadsmuzikanten aanwezig waren is niet duidelijk.Het voorgaande is een aannemelijk verhaal over het ontstaan van de schuttersgilden. Het risico hierbij is echter om aan te nemen dat de schuttersgilden die nu nog bestaan, of die sinds de late middeleeuwen hebben bestaan, allemaal deze ontstaansgeschiedenis hebben, of dat ze allemaal in een ononderbroken lijn terug gaan op een gilde met een dergelijke oorsprong. Dat is niet zo.

De Leuvense hoofdgilden hadden in die tijd een militaire taak, maar dat gold niet voor alle schuttersgilden in dezelfde mate. Enkele gilden hadden een paramilitaire functie, en kunnen wellicht vergeleken worden met de schutterijen in Holland, zoals ze bekend zijn van schilderijen van de Hollandse meesters. Bij veel Brabantse gilden werd het schieten steeds meer alleen een tijdverdrijf en een sport. Eén keer per jaar werd een schuttersfeest georganiseerd waarbij op de vogel geschoten werd, een speciaal gemaakt doel in de verte of op de schutsboom, een hoge paal. De schutter die de laatste resten van de vogel kapot schoot mocht zich koning van het gilde noemen. De militaire functie van dergelijke gilden verdween naar de achtergrond, en de maatschappelijke aspecten werden belangrijker. Andere broederschappen, die zich onder andere omstandigheden of met andere grondslagen georganiseerd hadden, namen de schietsport over als vrijetijdsbesteding. Zo waren er broederschappen die opgericht waren rond een bepaalde patroonheilige, met als basis een altaar in de parochiekerk, en als doelen het onderhoud van dat altaar, het brengen van eer aan de betreffende heilige en het opbouwen en onderhouden van de onderlinge saamhorigheid. Naarmate het schieten meer als sport gezien werd, gingen dergelijke broederschappen deze sport als nieuw onderdeel aan hun activiteiten toevoegen. De traditionele paramilitaire schuttersgilden hadden, vanzelfsprekend voor een middeleeuwse Katholiek gilde, ook een verbintenis met de kerk, een patroonheilige, en van daaruit vaak ook een altaar in de kerk. Door het ontbreken van oude archieven is nu vaak niet meer vast te stellen of een schuttersgilde begonnen is als schutterij, die ook een sterke sociale en godsdienstige samenhang kreeg, of juist als religieuze broederschap, die de schietsport als extra sociale activiteit aan de vereniging heeft toegevoegd. Een schutsgilde, georganiseerd rondom een schutspatroon, werd dan een schuttersgilde. Er zijn geen berichten dat Brabantse schuttersgilden na de 16de eeuw nog ter heervaart[3], dienstplichtig aan de heer ten strijde, werden opgeroepen. Volgens Jette Janssen-Beij[4] zijn er uiteindelijk weinig bewijzen dat schuttersgilden van oorsprong militaire organisaties of religieuze broederschappen waren. Wel blijken allerlei broederschappen, gilden en verenigingen, ook ambachtsgilden als schoenmakersgilden of imkergilden, op enig tijdstip in hun geschiedenis de schietsport als hun kernactiviteit genomen te hebben. Soms gebeurde dit zelfs pas in de twintigste eeuw[5].En als de archieven ontbreken is in de tegenwoordige tijd nauwelijks meer verschil vast te stellen tussen schuttersgilden met een heel verschillende oorsprong.

[Sociale functie]

Naast de schietsport hadden de schuttersgilden een sterke sociale functie binnen de gemeenschap. In de oude gemeenschappen was een gildelidmaatschap een manier om je positie te bepalen binnen de samenleving. Het verschafte identiteit aan de leden, en een besef van eigenheid en verbondenheid in een tijd waarin dat nog veel minder vanzelfsprekend was. Daarnaast was het lidmaatschap van zo’n gilde vaak een zaak van familietraditie, die van vader op zoon werd doorgegeven. Bij sommige gilden was een familieband zelfs vereist om lid te mogen worden. Een gilde werd zo een sterk sociaal netwerk binnen de stad of het dorp, en dat bood vele voordelen. Allereerst was er natuurlijk het economische voordeel van het netwerk, dat het leven en werken in de stad veel praktischer en aangenamer kon maken. Daarnaast namen de gildebroeders de sociale verantwoordelijkheid voor elkaar, in moeilijke tijden konden ze elkaar steunen, en zo fungeerden veel gilden ook als begrafenisfonds. Door lid te zijn van een gilde verzekerde men zich van een goede begrafenis ‘met gilde-eer’, en men wist dat als de kostwinner van een familie zou komen te overlijden, zijn gezin zou worden opgevangen en verzorgd door de gildebroeders. Dit wordt bijvoorbeeld beschreven in het reglement van 1799 van de gilde Sint-Catharina Eindhoven[6]:

Art.25. Indien imand van de gulde broeders komt te overleyden, zal de gulde gehouden zijn den selven te overluyden, ’t lijk te draagen en eerlijk ter aarde te besteeden, behoudens in besmettelijke en aansteekende ziektens, en waer voor de erfgenaamen van den overledenen zullen moeten betaalen drie guldens van een groot lijk en van ider kind der gulde broeders dertighst., boven en behalven de gewoone gerechtigheid van den altaer.

De gildebroeder die ontbrak bij een dergelijke begrafenis kreeg een boete opgelegd. In een tijd waarin men voor sociale zekerheid afhankelijk was van de goodwill van anderen was dit van een niet te onderschatten waarde. Het gilde vormde zo een sociale omgeving, en op die manier ook een huwelijksmarkt. De jonge gildebroeders werden gekoppeld aan de dochters van oudere gildeleden. Dit netwerk van broederschap en onderlinge wederzijdse steun en saamhorigheid leverde dus grote voordelen op in de samenleving van eertijds. 

In de Carte voir Strijp[1], de carte van het gilde Sint-Jan Baptista uit Leenderstrijp uit 1645 is te zien hoe deze sociale verplichting een belangrijk onderdeel was van de broederschap van het schuttersgilde. Dit wordt al duidelijk in de aanhef:

Carte voir Strijp

Van een oirdinantie oft statuyten voor een broederschap oft schuterie van S Jan Baptista ter eeren Godts ende dat werde heylich sacrament met believen onse genaede grave van onsen dorpe van Leende met meer andere dorpen believen ons te vergunnen om op te richten een nieuw gulde uuyt liefden en eendracht van St Jan Baptista rustende in der proch van Leende tot Strijp in St Jans kapelle die oirsaeke waerom wij gerne souden oprichten dese schutterie omdat een yegelijck tot liefden en eendracht soude tot malcanderen dragen met generaele accoordt der voorsz gulde broeders vernieuwen ende onderteeckenen ter eeren Godts ende zijn lieve heyligen ende bysonder onsen patroon van onse voirsz gulde oft broederschap reformatie van onse polecie ende tot voorderinge van onse saligheyt.

In deze aanhef zien we de vanzelfsprekende verbintenis aan God en de kerk. Ook wordt meteen duidelijk dat de carte goedgekeurd moest worden door het gezag, de graaf van Warfuse, Heer van Heeze en Leende. Het doel van de oprichting van de broederschap of het schuttersgilde is liefde en eendracht tot elkaar. De eerste 6 artikelen gaan er over hoe iemand lid kan worden van het gilde. Dit was voorbehouden aan deuchdelijcke en vreedsamige persoonen. Vervolgens zijn er 5 artikelen gewijd aan de orde en tucht binnen het gilde. Problemen in de omgang tussen gildebroeders werden bestraft met een geldboete of een boete te betalen in bier. In twee artikelen wordt het bestuur van het gilde beschreven, en in het volgende artikel worden zij verantwoordelijk gesteld voor de jaarlijkse Heilige Mis. Acht artikelen beschrijven de sociale onderlinge verantwoordelijkheid van de gildebroeders, het gaat over ziekenhulp en het begraven van gildebroeders met gilde-eer. Twaalf artikelen zijn nodig om het gedrag tijdens de teermaaltijd, die Alle jaer […] ut liefden ende vriendschappen worden gehouden te reglementeren. Zo zegt artikel 28 dat Als men recuratie van gesang oft speel begeert te bedriven sal men vertoeven totdat de tafel is opgenomen oft tenminste als de gratie geseyt is nae den maeltijt: tijdens het eten wordt er niet gezongen! Ook artikel 29 laat ons iets zien over de verhoudingen tussen de broeders, als gesteld wordt dat Soe wye zijnen meebruer uuyt gramschappen oft gestoortheyt heet liegen zijn moeder minnen oft andere diergelijcke spijtige woirden geeft sal verbueren een vierde vat biers. Er wordt niet gescholden op de moeder van een gildelid!

17 Artikelen beschrijven het daadwerkelijke schieten op de vogel, en hoe het schuttersfeest moet verlopen. Er werd geschoten op een vogel, en degene die de laatste resten van de vogel van de schutsboom schoot werd als koning van het gilde naar de kerk gebracht om van zijn verbintenis met God te getuigen. In artikel 52 tot en met 59 wordt de jaarlijkse processie beschreven ter ere van het heilige sacrament. Vier artikelen zijn gewijd aan de vaandrig en de tamboer, hierin wordt bepaald hoe zij met het waardevolle gildebezit, het vaandel en de trom, om moeten gaan. Tot slot nog eens drie artikelen over orde en tucht. Uit de samenstelling van de carte blijkt het belang van zowel de broederschap, de schietsport als de verbintenis met de Katholieke kerk. Juist dit laatste kan in deze tijd gezien worden als een daad van verzet. De Graaf van Warfuse was nog niet beleend als Heer van Heeze en Leende, en hij was als erfgenaam van de titel ook nog niet ter plaatse geweest. Het Hollandse Protestante gezag zou een carte die zo Katholiek was zeker niet hebben goedgekeurd. Er is geen enkele aanwijzing dat dit gilde als schutse voor burgers of kerk gediend heeft.

Tijdens en na de tachtigjarige oorlog veranderde de functie van de Brabantse gilden. De paramilitaire functies verdwenen nog verder naar de achtergrond, al kwamen daar soms wel taken voor terug als het nachtwaken in de stad, of het verzorgen van de brandspuit. Het bleven vooral de sociaalsportieve organisaties zoals eerder beschreven. In een tijd waar weinig volksvermaak en ontspanning was, kwam de voornaamste afleiding van kermissen, processies en ommegangen, toneelspelen en schuttersfeesten[2]. Als het gilde een schuttersfeest organiseerde, dan was dat het hoogtepunt van het jaar voor de stedelingen, en liep de bevolking uit om het feest mee te vieren. Secretaris J.H. Smits van de Eindhovense Sint-Sebastiaan Gilde beschrijft dit op 11 juli 1850[3]:

Zijnde donderdags in de kermisweek, zijnde door onze Ridderlijke gilde drie prijsvogels geschoten. Na een’ plegtigen optogt door de stad met de musyk van het verdienstelijk Gezelschap Appollo’s Lust aan het hoofd begon de strijd bij het schoonste weder en onder den toevloed van eene massa volks. […]

Als hij ‘eene massa volks’ beschrijft staat de schrijver zich misschien wat vrijheid toe, maar het is goed voor te stellen dat de stedelingen op een mooie zomerdag er op uit trokken om het schouwspel te gaan zien. En ook op 8 juli 1852 was de publieke belangstelling groot:

Zijnde donderdags in de kermisweek. Begunstigd door het schoonste weder en onder toevloed van eenen ontelbare menigte aanschouwers, trok onze Ridderlijke Gild met de musyk van Appollo’s Lust aan het hoofd het voornaamste gedeelte der stad in plegtigen optogt door en arriveerde in beste orde in de strijdbaan aan onze doelen op de Berg […]

[Opleving na Jolles]

 In de tweede helft van de negentiende eeuw neemt de belangstelling voor ‘het oude’ toe, en zeker na het boek van Jolles kwam er een opleving in het gildewezen. Jolles reisde in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw door Noord-Brabant om de verschillende schuttersgilden te bekijken, en wat hij tegenkwam publiceerde hij in een boek met de titel De Schuttersgilden en Schutterijen van Noord-Brabant Overzicht van hetgeen nog bestaat[4]. Hij beschreef bij veel gilden het verval, en dat inspireerde tot een opleving in het bestaan van de gilden. In romantische pogingen om de historie terug te brengen werden gilden die ooit binnen een gemeenschap actief geweest waren heropgericht. In de geschiedenis van vele gilden zijn hiaten in de tijdslijn te vinden waarin het gilde feitelijk niet meer bestond. Na vele jaren, soms zelfs meer dan honderd, werd het gilde dan nieuw leven ingeblazen, waarbij de oude gebruiken zo veel mogelijk werden hersteld, en waarbij de nieuwe gildebroeders zich verbonden voelden met de historie en hun feitelijk nieuwe vereniging een grondslag aanmaten die eeuwen terug lag op basis van enkele archiefstukken of oude voorwerpen. Zelfs in 2006 werden oude gilden heropgericht. Zo werd op 10 september van dat jaar in Sint-Anthonis, een dorp onder de rook van Boxmeer, een schuttersfeest georganiseerd door een gilde dat meer dan een halve eeuw slapende was geweest. Het zal duidelijk zijn dat de paramilitaire functie van deze gilden geheel verdwenen is en dat het eigenlijk folkloristische verenigingen betreft, waarbij overigens het belang van het netwerk tussen burgers van een kleine gemeenschap niet onderschat moet worden. In de geschiedenis van veel gilden zijn zo decennia te vinden waarin het gilde slapende was, soms zelfs een zo grote tijdspanne dat betwijfeld kan worden of er daadwerkelijk contact is geweest of een band bestaat tussen de heroprichters en de originele gildebroeders. Het nieuwe gilde meet zich dan een historie aan waarvan betwijfeld kan worden of het de zijne is. Wat hier wederom uit opgemaakt kan worden is hoe lastig het is om een algemene beschrijving van het Brabantse schuttersgilde te geven. Veel gilden hebben tegenwoordig dan ook een sterk folkloristische uitstraling, al zullen ze zelf vaak met klem ontkennen dat folklore hun bestaansdoel is, omdat ze daarin een ontkenning zien van hun functie als levende gemeenschap. Alsof ze zich alleen maar op het verleden zouden richten, terwijl het hen juist gaat om het samenleven in het heden. Maar in hun optreden naar buiten kleden ze zich graag in geromantiseerde historiserende kostuums, waarvan de grondslag vaak twijfelachtig is. Ook gaat menig gilde zich te buiten aan tamboerkorpsen, bazuinen of gildedansen. Het risico van ‘invented history’ ligt hier levensgroot op de loer, en het risico is dan de veronderstelling dat de manier waarop een gilde zich nu presenteert een voortzetting is van eeuwenoude tradities. Als een gilde zich tien jaar gepresenteerd heeft in quasi middeleeuwse kostuums met een ongefundeerde authenticiteit, in vertedering terugkijkend op oude tijden, lijkt het alsof het nooit anders geweest is. Toch is de uniformering van de gilden vaak een vrij recente ontwikkeling. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kleedde de gildebroeder zich in zijn ‘zondagse pak’, en werd de eenheid hooguit aangeduid door een hoed, een sjerp of een kokarde[5]. Misschien wordt dit ook ingegeven door de verdwijning van het vanzelfsprekende en redelijk uniforme ‘zondagse pak’ in het algemeen uit het modebeeld. De Eindhovense Ridderlijke gilde van Sint-Sebastiaan beschrijft ter gelegenheid van de schietfeesten met de kermis van 1818 dat de leden zich mogen kleden naar eigen goeddunken, behalve een zwarte of blauwe jas, een wit vest, en een versierde hoed, en neemt dit op in het reglement:

Dat met het optrekken tot het schieten van de vogels alleen bepaald blijft tot uniform eene swarte of blauwe rok met witte vest & hoed met Panasch, zullende overigens ider zich mogen kleeden na goedvinden

[Tot slot]

Tot slot de verschillen met enkele andere regio’s, om de aftekening nog wat duidelijker te maken: Hollandse schutterijen waren paramilitaire organisaties in dienst van de stad, Schuttersgilden uit Nederlands Limburg zijn militaristischer van opzet, met meer aandacht voor uiterlijk vertoon, exercitie, muziekkorpsen en formaliteiten. De schutterijen uit Vlaams Brabant lijken dan misschien nog het meest op het Noord-Brabantse schuttersgilde, al lijken de Belgische gilden zich vaak meer te spiegelen aan het boerenleven en maken ze daarmee een volksere indruk[6], terwijl in Noord-Brabant juist het burgerleven als voorbeeld dient.