Gilde Sint Agatha Boekel

Gildehistorie

Samenvatting

Het doel van dit onderzoek was niet het schrijven van dé geschiedenis van de Noord-Brabantse schuttersgilden. We wilden achterhalen waarom en op welke wijze gildebroeders tussen 1600 en 2000 lid werden van de gilden en hoe ze, samen met de andere leden van het schuttersgilde, dat lidmaatschap op formele en informele wijze vormgaven en ervoeren. Daarvoor werden uit tien geselecteerde gemeenten achttien schuttersgilden op vijf verschillende niveaus onderzocht. Allereerst het niveau van het individu. Vervolgens het niveau van de sociale relaties binnen het gilde. Daarna het niveau van het schuttersgilde in wisselwerking met andere gilden. Het vierde niveau was dat van het gilde als onderdeel van de plaatselijke gemeenschap. Ten slotte was er het niveau van de wereld buiten de plaatselijke gemeenschap: regionaal, provinciaal, nationaal en internationaal. Via een analyse van wat er zich op deze verschillende niveaus afspeelde, trachtten we een beeld te schetsen van hoe en met welke gevolgen door de eeuwen heen interne en externe krachten inwerkten op de Brabantse gildebroeders, op hun schuttersgilden en het gildewezen.
De reglementen van de gilden vormden een goed uitgangspunt om de voorgeschreven orde tegen de geleefde praktijk af te zetten. Daarbij werd gekeken naar het bestuur, sociale en competitieve hiërarchie, groepsprocessen, sociabiliteit en identiteit, allemaal ingebed in de vier belangrijkste elementen van de schuttersgilden in heden en verleden: verwantschap, broederschap, traditie, en eer en prestige. Deze elementen vormen samen het sociaal kapitaal van de gildebroeders.

 

 

Uniek en toch uniform
De gilden lijken veel op elkaar, maar zijn tegelijk toch zeer verschillend. Op basis van een aantal gebruiken die vrijwel alle gilden bezigden, kon er toch wel een algemene definitie aan het fenomeen schuttersgilden worden gegeven: "Een schuttersgilde is een vereniging op vrijwillige basis, met christelijke idealen, een sociale houding en schietactiviteiten in de vorm van vogelschieten en/ of koningschieten." Het meelopen in processies, het laten lezen van missen en het begeleiden van begrafenissen waren voor de gildebroeders religieuze verplichtingen. Ieder gilde deed aan koningschieten en alle gilden hadden een teerdag. De gildefeesten waren én zijn gemeenschapsfeesten. Het unieke van ieder gilde lag in wat het betekende voor de gemeenschap, in de manier waarop de gildebroeders het gildebroederschap of het gildelidmaatschap intern vorm gaven en in de omgang met de tradities en geschiedenis van het schuttersgilde.

De Noord-Brabantse schuttersgilden zijn soms eeuwen oud, soms van betrekkelijk recente oorsprong. Ze ontstonden zowel in tijden van politieke onrust als in tijden van vrede, tijdens perioden van economische voorspoed of juist van malaise. De oprichters hadden behoefte aan een organisatie van weerbare mannen, behoefte aan ontspanning en vermaak of aan een combinatie van beide. In tijden van religieuze spanning en hervorming werden veel broederschappen tot schuttersgilden omgevormd. Dat is echter niet aan te duiden als dé oorsprong of ontstaansoorzaak van de Noord-Brabantse schuttersgilden. Elk gilde probeerde een antwoord te geven op de behoeften van plaats en tijd. Bij de oprichting kreeg het gilde vaak een takenpakket mee, bijvoorbeeld als burgerwacht, brandweer of begrafenisfonds, waarmee duidelijk werd wat de overheid of de gemeenschap van de gildebroeders verwachtte. De bezigheden van de schuttersgilden en de invulling ervan verschilden per gemeenschap. Het Brabants schutterswezen werd gekenmerkt door verscheidenheid in taken en functioneren, maatschappelijke verantwoordelijkheid en samenstelling. In de zeventiende en achttiende eeuw werden bepaalde taken nogal eens door de wereldlijke of geestelijke overheid aan de gilden opgelegd, in de negentiende en twintigste eeuw werden deze taken door professionele organisaties overgenomen, waardoor de gilden hun functie binnen de gemeenschap leken te verliezen. Flexibel en inventief omgaan met de invulling van het gildebestaan deed de schuttersgilden echter overleven.
Lidmaatschap en verwantschap
De voornaamste drijfveren voor de gildebroeders in heden en verleden om lid te worden en/of te blijven, bleken op zowel ideële als materiële overwegingen van verwantschap, broederschap, traditie, en eer en prestige te berusten. Dat bleek niet alleen als het ging om het toetreden tot het gilde, maar ook bij het intern reguleren van het gilde en de manier waarop het gilde zich ten opzichte van de buitenwereld presenteerde. De genoemde drijfveren werden als bindende factoren beschouwd, al veranderden ze telkens van betekenis.

Niet iedereen mocht zo maar lid worden van het schuttersgilde. Sociaal kapitaal is nu eenmaal slechts productief aanwendbaar als niet alleen de mogelijkheid tot insluiting, maar ook die tot uitsluiting bestaat. De caerten beschreven vaak de toelatingseisen, maar deze werden door het gilde naar goeddunken gebruikt en vaak in ten eigen voordele uitgelegd. De mening van de groep was belangrijker dan de caerte. Het bestuur had wel de beslissende stem. Gelijkgestemdheid was het essentieel voor het overleven en goed functioneren van het gilde. Ten einde gelijkgestemdheid te behouden, kwam het gilde tot een vorm van selectie aan de poort. Voorwaarde was vaak dat iemand binnen het gezelschap moest passen, door beroep, status, interesse of verwantschap. Hoewel de schuttersgilden erg gesloten leken, bleken ze dat niet altijd te zijn. Dit had met name te maken met de ontwikkelingen in de plaatselijke gemeenschap – zoals toegenomen immigratie en economische ontwikkeling – die hun weerslag hadden op de ontwikkelingen binnen het gilde en zijn ledenbestand.

In dit onderzoek hebben we de graden, percentages en directe of indirecte invloed van verwanten op lidmaatschappen binnen de gilden bekeken en gemeten, om de vraag te kunnen beantwoorden in hoeverre was verwantschap een reden was om lid te worden.
Bloedverwanten waren het best vertegenwoordigd binnen het gilde. De eerstegraads verwanten, voornamelijk de vaders, waren de belangrijkste stimulans voor de gildebroeders om lid te worden van het gilde, hoewel ze veeleer een voorbeeldfunctie hadden dan dat ze directe invloed uitoefenden op het lidmaatschap. Vaak werden ze pas, in het kader van de voortzetting van de familietraditie, na hun overlijden opgevolgd. De invloed van de tweedegraads bloedverwanten was zowel direct als indirect. De broers vormden de grootste categorie bloedverwante gildebroeders. Samen lid worden maakte het lidmaatschap aantrekkelijker. De gildebroeders werden ook beïnvloed door hun grootvaders en ooms. De zwagers, neven en getuigen van de gildebroeders werden gedeeltelijk zelf aangespoord door de geselecteerden om lid te worden. De gildebroeders uit de steekproef oefenden op hun beurt invloed uit op hun zonen die de familietraditie weer voortzetten door invloed uit te oefenen op de kleinzonen. Als de zonen om welke reden dan ook niet wilden of konden toetreden, besloten veel geselecteerden hun schoonzoon als lid te vragen. Verder werden er binnen de gilden nog oudooms, overgrootvaders, achterneven en achterkleinzonen gevonden. De personen die echter de meeste directe invloed uitoefenden op de lidmaatschapskeuze van de gildebroeders uit de steekproef, waren de schoonvaders.

Uit de analyse van de verwantschapsrelaties bleek dat de netwerken van relaties pragmatisch werden aangewend om nieuwe leden te rekruteren. In de perioden waarin het aantal bloedverwanten afnam, steeg het aantal aanverwanten. Als het aantal bloedverwanten toenam, daalde het aantal aanverwanten. In de perioden dat er relatief minder broers intraden, werden meer zwagers lid. Toen de zoons het even lieten afweten, stonden de schoonzoons klaar. In de perioden dat de invloed van de vaders afnam, werd het aantal grootvaders en broers in het gilde groter. Ook ooms en schoonvaders vulden vaak de leemten als de vader geen lid was. Met de dalende invloed van de broers en zwagers bleken de getuigen en vrienden een steeds grotere rol te gaan spelen. Met name in de twintigste eeuw, toen het aantal bloed- en aanverwanten binnen het gilde daalde, zagen we een duidelijke stijging van het aantal geestelijke verwanten, wier 'verwantschap' tot stand kwam via het getuigen bij doop of huwelijk.
Eerder bleek dat niet alleen traditie en verwantschap, maar ook het zeker stellen van de (financiële en/of sociale) positie en de sociale factor (de sociabiliteit) van invloed waren op het toetreden. Vanaf de achttiende eeuw traden de gildebroeders steeds vaker ongehuwd in, en steeds vaker vrijwel gelijktijdig met leeftijdsgenoten. Door lid te worden integreerde men in de gemeenschap en bevestigde men zijn sociale positie en/of het volwassen worden. Dit werd duidelijk door het analyseren van de gemiddelde leeftijd waarop men toetrad. Maar waar juist deze behoefte aan sociabiliteit in eerdere eeuwen de leden naar de gilden trok, had deze een negatieve invloed op het ledenbestand van de gilden in de tweede helft van de negentiende eeuw. Toen opgekomen en bloeiende verenigingsleven vervulde voor veel mensen de behoefte aan sociaal contact en sociaal kapitaal, waardoor de gilden aan aantrekkingskracht verloren. De overlevingsdrang, flexibiliteit en inventiviteit van de gilden zorgden er aan het begin van de twintigste eeuw voor dat er veel jongeren werden gerekruteerd. Door de eeuwen heen moesten de gilden dus duidelijk meer bieden dan een hechte groep van verwanten alleen om leden aan zich te kunnen blijven binden.
Broederschap
Bourdieu's theorie van sociaal kapitaal biedt een conceptueel kader waarmee niet alleen het in de negentiende en twintigste eeuw tot bloei gekomen nieuwe verenigingsleven vruchtbaar kan worden geanalyseerd, maar ook het vroegmoderne verenigingsleven van de zeventiende en achttiende eeuw, met zijn rederijkerskamers, broederschappen en gezellenverenigingen. Zijn theorie stelt dat verenigingen voor sociaal kapitaal zorgen, en dat sociaal kapitaal ten grondslag ligt aan de oprichting van deze verenigingen. Sociaal kapitaal wordt zijns inziens in die verenigingen omgezet in andere vormen van kapitaal, bijvoorbeeld economisch en cultureel kapitaal, die op hun beurt weer in sociaal kapitaal worden omgezet. Bourdieu's theorie biedt ook plaats voor de uitwerking van meer specifieke theorieën over sociabiliteit, vriendschap, wederkerigheid, folklorisering en traditie. Hierdoor kunnen we ook verschuivingen duiden in taken en functie van het schuttersgilde, ontwikkelingen in het zelfbeeld en de zelfreflectie van gildebroeders en de daarbij behorende veranderingen in het ledenbestand van gilden.

Cultureel en sociaal kapitaal zijn belangrijk voor het sociale functioneren van individuen en groepen. Verbondenheid binnen het gilde ontstond enerzijds door de vele verwantschappen, anderzijds werd deze gecreëerd en gereglementeerd door het ideaal van 'broederschap'. De betekenis van broederschap voor de leden van de gilden, en de deugden die men ermee verbond, veranderden in tijd en verschilden in plaats. Broederschap ontstond en werd in stand gehouden door vriendschap, onderlinge steun en wederkerigheid. Aan sociaal kapitaal zijn dan ook verplichtingen, verwachtingen, vertrouwen maar ook sancties verbonden.

De deugd van de broederschap en de deugdzaamheid van het gezelschap werden gereguleerd door de samenstelling en het handelen van het bestuur, dat met de caerte als leidraad de identiteit van het gilde bepaalde. Broederschap werd gezien als hét belangrijkste element dat het voortbestaan van het gilde garandeerde. Het werd in de caerte genoemd en het rechtvaardigde het bestaan of voortbestaan van het gilde. Gewenst gedrag werd gereglementeerd en ongewenst gedrag werd beboet. De eer van het lidmaatschap en wat de gildebroeder binnen het gilde bereiken kon, bijvoorbeeld het koningschap, waren niet alleen afhankelijk van wat men binnen het gilde in onderlinge samenwerking en wedijver presteerde maar ook van wat men erbuiten deed. Rituelen en gebruiken binnen het gilde waren veelal gericht op de binding van de broeders. Daarmee werd de broederschap op zich een traditie, en stonden veel andere tradities en gebruiken in dienst van het behoud van die broederschap. Alles wat de interne cohesie of het externe 'eerbare' beeld van het gilde ondersteunde, werd beloond en wat deze ondermijnde, werd bestraft. Rituelen en gebruiken binnen het gilde fungeerden veelal als sociale controle in dienst van het behoud van broederschap. Stond tot de negentiende eeuw vooral de eerbaarheid van individu en collectief centraal, in de twintigste eeuw werd de broederschap zélf als een deugd betiteld. Onder het begrip broederschap vielen toen alle taken, verplichtingen en het gewenste gedrag van de gildeleden. Broederschap was daarmee de hoogst te bereiken vorm van sociaal kapitaal en zij werd gevoed door gereglementeerde en ongereglementeerde onderlinge steun en wederkerigheid.
Identiteit, traditie en eer
Lidmaatschap van een schuttersgilde verschafte identiteit. Een gildebroeder werd door zijn lidmaatschap sterker verbonden met de plaatselijke gemeenschap. Lid worden van een schuttersgilde werd gezien als een eer en onderscheidde een gildebroeder van een 'eerloze' mens. De gildebroeder werd opgenomen in een hechte groep die als doel had de gemeenschap te dienen en te representeren. Binnen de groep werd er een hechte band gesmeed, niet alleen door vriendschap en broederschap, maar ook door materiële steun. De gildebroeder kon als individu veel voordelen aan het lidmaatschap ontlenen. Goede, deugdzame broeders, die dit etiket kregen door voorbeeldig gedrag, tomeloze inzet of financiële bijdragen, werden gememoreerd en bejubeld, onderscheiden en konden binnen het gilde of de gildeorganisatie hogerop komen. Maar het voordeel zat ook in het verkrijgen van een gildebegrafenis of in het opbouwen van een profijtelijk netwerk: veel gildebroeders waren lid 'om de klanten'. De identiteit van het gilde werd mede ontleend aan de deugdzame gildebroeders uit het verleden. Op gezette tijden werd de oprichting van het gilde herdacht en werden de oprichters bejubeld. De gildebroeders projecteerden memorabele gebeurtenissen binnen de gemeenschap op het gilde en projecteerden memorabele gebeurtenissen van het gilde op de gemeenschap. Heldhaftigheid, dienstbaarheid en deugdzaamheid waren daarbij de kernwoorden.

De deugdzaamheid en dienstbaarheid van het gilde werden aan de buitenwereld getoond, door offeren aan de kerk, werken van barmhartigheid, maar ook door feesten waarbij de hele gemeenschap werd betrokken. Het lid worden van een gilde werkte niet alleen statusbevestigend, maar ook statusverhogend en droeg de identiteit van de gildebroeder uit, zowel binnen als buiten het gilde. De identiteit die een individu wilde uitdragen kon worden bevestigd door het gilde waarvan hij lid werd, maar hij kon zich met de keuze ook distantiëren van en afzetten tegen een andere sociale groepering.

Zich afzetten of verzetten tegen andere groepen, de buitenwereld of de overheden, was de gilden niet vreemd. Niets draagt zo bij aan sociale verbondenheid als een externe vijand of concurrent. Conflicten met de kerkelijke en wereldlijke overheid, op lokaal en nationaal niveau, gingen met name over de uitvoering van gebruiken en tradities van de gilden. Als vertegenwoordigers van de gemeenschap moesten de schuttersgilden ook banden met elkaar aangaan, wat geregeld tot aanvaringen leidde.

Tot in het begin van de negentiende eeuw was er een duidelijke samenhang waarneembaar tussen bepaalde beroepsgroepen en de verschillende gilden. De groepsidentiteit en status van een gilde werden mede door de beroepssamenstelling bepaald. In de loop van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw kregen de gilden echter qua beroepssamenstelling, een enkele uitzondering daargelaten, een meer gemengd karakter. De publieke functie van de gilden verschoof, door de opkomst van andere verenigingen, de verstedelijking, en de bemoeienissen van de plaatselijke geestelijkheid, naar een meer private. De gilden leden aan statusverlies, ze werden gezien als 'zuipschutjes' en keerden zich naar binnen. Dat betekende niet dat ze geen leden meer aannamen maar wel dat hun rekruteringsbasis veranderde. Door het statusverlies moesten de gilden zich om te overleven openstellen voor leden uit andere sociale standen en klassen, beroepsgroepen en families. Sommige gilden gingen een 'nieuwe' en geheel 'eigen' identiteit creëren. Die identiteit werd niet meer bepaald door beroep of status, maar door 'lokalisme', traditie, historisch bewustzijn en de omgang met het verleden. Affiniteit met geschiedenis en de traditie was met name aan het einde van de negentiende eeuw en gedurende de twintigste eeuw een reden om lid te worden en bepaalde de 'nieuwe oude' en vooral 'eigen' identiteit van de gilden. Het bewustzijn van de eigen identiteit en het verleden werd vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw, blijkens de explosieve groei van gildepublicaties, steeds sterker naar voren geschoven. De jubilea van het gilde werden nog belangrijker voor het benadrukken van de ouderdom en de rijke traditie van het gilde en voor het legitimeren van het bestaan en de continuïteit ervan. Dit groeiend besef had weer gevolgen voor de manier waarop gilden zichzelf gingen zien, maar ook voor gildetradities, die heringevoerd of aangepast werden. Doordat de overheid steeds meer maatschappelijke taken naar zich toe trok, moesten de gilden zich bezinnen op een nieuwe invulling van de taken binnen het gilde, binnen de gemeenschap en in de wereld erbuiten. Gildebeleving werd het nieuwe motto. Daarmee kwam de nadruk nog meer op het 'eigene' te liggen. Maar het had wel effect: de 'eigen' identiteit werd steeds meer door de overheden ingezet en geadopteerd en door een eigen overkoepelende organisatie gereglementeerd. Zo werd het schuttersgilde opnieuw een 'eerbare guld'.
Het 'eigene' van de schuttersgilden in Noord-Brabant
De 'eigen' identiteit van de verschillende schuttersgilden berust enerzijds op hun specifieke verschijningsvorm en hun gebruiken, anderzijds op hun specifieke sociale functie en bijzondere (rechts)positie. De gilden gebruiken, wat dit betreft, zelf het begrip autonomie. Oorspronkelijk werd hiermee een niet in de wet geregelde, maar in de caerte vastgelegde rechtspersoon bedoeld. De gilden beriepen zich voor die autonomie op de caerten en gaven er meer betekenissen aan. Ieder gilde bepaalde voor zichzelf wat het wenste te doen, en vooral hóe, met als voorwaarde dat het niet indruiste tegen de waarden en normen en het de broederschap niet ondermijnde. De gildebroeders konden tradities, gebruiken en bezigheden naar believen toevoegen, aanpassen of afschaffen. Tot in de twintigste eeuw deed men dit ook, naar gelang de tijdsomstandigheden. Er bestaan geen andere soorten verenigingen meer waarvan de statuten soms wel terugreiken tot de vroegmoderne tijd. Het recht dat de schuttersgilden ontleenden aan deze oude statuten gaf de gildebroeders dan ook het gevoel een unieke positie te hebben binnen het verenigingsleven, zowel in Noord-Brabant als daarbuiten. Dit bleek toen in 1977 nieuwe bepalingen omtrent het verenigingsrecht werden ingevoerd door het van kracht worden van Boek II van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. De gilden mochten zich niet meer op hun aloude caerten beroepen en werden gerangschikt onder verenigingen volgens de definitie van het Burgerlijk Wetboek (boek II, art. 26). Veel gilden vonden dit moeilijk te verkroppen. Nog moeilijker was dat volgens deze wet alle gilden voor hun rechtsbevoegdheid hun statuten in een nieuwe notariële akte moesten laten vastleggen. Dat betekende dat er doelstellingen moesten worden geformuleerd en dat was nog niet zo eenvoudig als het leek.

Als geen andere vereniging zijn de schuttersgilden bezig met de reden van hun bestaan en hun bestaansrecht. Als geen andere vereniging houden zij zich bezig met discussie over en onderzoek naar de betekenis van hun gebruiken en tradities en de omgang ermee. In geen andere vereniging is er zoveel geschreven over de geschiedenis en over wat nu het daadwerkelijke doel is. De geschiedenis van de gilden door de eeuwen heen geeft geen eenduidig beeld van de doelstellingen van het instituut. Veel gilden bestonden naast de broederschappen of ontstonden er juist uit. De broederschappen hadden als doel 'het bidden voor het zielenheil'. De schuttersgilden boden deze 'dienst' ook. Als de leden dit doel expliciet nastreefden, was het echter logischer om zich aan te sluiten bij een broederschap. Hadden alle schuttersgilden dan als primair doel het schieten? Uit vele voorbeelden bleek dat het schieten of 'beschutten' niet de voornaamste taak van de gilden was. Het was één van de vele bezigheden. Aannemelijker is, zoals in dit proefschrift is aangetoond, dat de schuttersgilden voornamelijk werden opgericht uit een behoefte aan sociabiliteit. Zij beantwoordden daarnaast aan de vraag naar een vorm van vereniging die diverse activiteiten ontplooide en sociaal kapitaal kon leveren. In de begintijd waren de schuttersgilden dus verenigingen die niet alleen gezelligheid boden, maar ook voor sociaal kapitaal zorgden. Bij de schuttersgilden die werden omgevormd vanuit de broederschappen en veel gilden die werden heropgericht, lag sociaal kapitaal juist vaak ten grondslag aan de oprichting van de verenigingen.
Juist door attributen, kledij en gebruiken onderscheidden de gilden zich van andere verenigingen en werden verbonden met tradities en het verleden. Ze ontwikkelden zich op die wijze tot vertegenwoordigers van wat zij als het unieke en glorierijke Brabants verleden beschouwen. Betekent dit dat de schuttersgilden echt uniek zijn?

In de notariële akten die werden opgesteld naar aanleiding van de nieuwe bepalingen in het verenigingsrecht lieten de meeste gilden 'behoud van traditie' als hoofddoel vastleggen. Dit definieerde echter niet precies, zowel voor de gilden zelf als voor de buitenwereld, waar het gilde voor stond. 'Traditionele' functies, zoals broederschap, sociale en emotionele verbondenheid, sociabiliteit, het genereren van sociaal kapitaal, dienst aan de gemeenschap en het vasthouden van lokale eigenheid, vormen de rode draad door de geschiedenis van de gilden. De vraag is echter in hoeverre deze traditionele functies van de gilden zoveel anders zijn dan die van meer eigentijdse verenigingen als Rotary, Lions of Kiwani's. Deze verenigingen staan immers ook bekend om hun sterke interne sociale band. Ze worden net als de gilden gekenmerkt door onderlinge steun, vriendschap, waardering, en door dienst aan de gemeenschap.

Het grote verschil tussen de schuttersgilden en de serviceclubs is dat de gilden hun functie en inrichting, in tegenstelling tot de serviceclub, tegenwoordig op hun hang naar het verleden laten berusten. Voor een hedendaagse gildebroeder bleek de reden om lid te worden, naast de sociabiliteit en het sociaal kapitaal, vaak nostalgie en enige aversie tegen het als al te modern ervaren heden te zijn. Daarin zijn ze te vergelijken met leden van heemkundekringen. Tevens speelt familietraditie nog steeds een grote rol bij de ledenwerving voor en de samenstelling en het functioneren van de gilden. De rol van verwantschapsbanden in het sociale leven van de gemeenschap is vergelijkbaar met die van harmonieën en fanfares. Deze zijn en waren een belangrijk onderdeel van de 'traditie' van het dorp als kleine maar prominente verenigingen die banden hadden met de 'oude' families in de gemeenschap. Wat dat betreft, zijn de schuttersgilden dus ook niet uniek.

Wat ze wel uniek maakt, is dat we in het Brabantse land geen verenigingsvorm aan kunnen treffen met eenzelfde ouderdom, eenzelfde verzameling van sociale functies, eenzelfde beroep op tradities en met dezelfde ontwikkelingen in het ledenbestand als de schuttersgilden. Over het algemeen kunnen we stellen dat de Noord-Brabantse schuttersgilden eerder symbolische of expressieve verenigingen dan functionele of instrumentele verenigingen zijn. Dat maakt ook dat zij al die eeuwen hebben kunnen overleven. Ze hebben de geschiedenis kunnen doorstaan door hun flexibiliteit en inventiviteit, door zich vlot aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij kregen ze echter wel hulp van de verschillende overheden en van de gemeenschap waarin ze waren ingebed. De huidige schuttersgilden zijn niet alleen een onvervreemdbaar deel van het Brabantse verleden, maar ook van het heden. In die zin zijn ze uniek. Dat ze 'typisch Brabants' zijn, is echter niet een verworven, maar een toegeschreven eigenschap. Die etikettering hebben ze niet zozeer aan zichzelf te danken, als wel aan de lokale, regionale, nationale en internationale buitenwacht.